KenauNetwerk

Omdat Tanya Rumpff me had uitgenodigd heb ik me eergisteren in Haarlem, in haar galerie, door Cees Krijnen laten portretteren als Kenau. De tentoonstelling Krijnen-Kemna-Kenau-Kasting groeide naarmate de hedendaagse Kenaus, die hun sporen hebben verdiend, van wanten weten, voor geen kleintje vervaard zijn, kwamen binnendruppelen. Ietwat onwennig waren de mannetjesputters wel…eventjes maar.  Want terwijl hun portretten werden opgehangen, ontsponnen zich gesprekken die meteen “to the point” waren, zoals alleen vrouwen dat kunnen. Wij willen een vervolg! Zonder portret, maar mèt uitwisseling van ervaring, levenswijsheid, visie…een KenauNetwerk.

zie: www.krijnenkemnakenaukasting.com
zie: www.galerietanyarumpff.nl



Proefbeeld

Om een nieuwe techniek te kunnen toepassen maken Vincent Petit en ik allereerst een “proefbeeld” van 1/4de deel van het totale beeld. De papieren Datura (uit: Seelenbriefe) wordt gescand, vergroot, uit plaatstaal gesneden en vervormd, dan geschoepeerd en gepoedercoat en daarna door mij beschilderd. Als dit naar tevredenheid verloopt voegen we, één voor één, de drie andere delen van het plaatstalen boeket, op dezelfde wijze tot stand gekomen, toe. Vandaag werd de eerste stap gezet.

zie: beeld in wording.

zie: Nieuw Beeld

nog steeds…

Heeft Nietzsche Stirner gelezen?
Er is een Nietzsche/Stirner-Vraagstuk dat de gemoederen nog steeds bezig houdt:

Ik kwam een detective-achtig “bewijs” tegen voor Nietzsches kennis van Stirner, van Bernd A. Laska. Die beweert dat Nietzsche tijdens een logeerpartij in oktober 1865 bij zijn vriend Hermann Mushacke in Berlijn, door diens vader Eduard Mushacke, die persoonlijk bevriend was met Max Stirner, gewezen is op Stirners boek. Dat leidde tot een geestelijke crisis bij Nietzsche, die pas bezworen werd door de kennismaking met Schopenhauer. Daaruit ontwikkelde zich “de filosoof Nietzsche”.
Nietzsche zèlf heeft zich nooit uitgelaten over Stirner.

Max Stirner (1806-1856), werd destijds alleen gelezen in de literaire underground en gold volgens Bernd Laska als een uitgestotene, een onaanraakbare, een paria van de geest.
Stirner zou een “schier demonische dialecticus” zijn die, vergeleken bij Nietzsche, “vaak radicaler, minder omslachtig, als vivisector nauwkeuriger te werk gaat”.*
“Der Einzige und sein Eigentum” (1844) is het wildste ketterboek dat ooit een mensenhand heeft geschreven, Stirner heeft er een waarlijke Duivelsreligie mee gegrondvest”, zegt Karl Joël.

Het bewijs van Laska, o.a.:

* Het is nauwelijks voorstelbaar dat MUSHACKE-senior de kundig geïnteresseerde Nietzsche niet heeft verteld over zijn vriend Max Stirner; dat hij diens “Einzige” niet in zijn boekenkast had; dat Nietzsche het boek daar niet heeft verslonden(…)
Hier las Nietzsche over Gods dood, immoralisme, nihilisme enz.; hij zag hoe zich iemand “voorbij goed en kwaad” had geplaatst en “met de hamer filosofeerde”: voor een hoogst gevoelige mens als Nietzsche een nauwelijks te verwerken geestelijke overdosis. Op de zo verwekte roes van gedachten volgde een waarlijke inzinking, zelftherapie, de initiële crisis, de vlucht enerzijds naar Schopenhauer en anderzijds “in de gevoelloze stupiditeit…als gevolg van mijn filologische houthakkerij” (uit brief Nietzsche aan Hermann Mushacke, 14 März 1866).

* Overbecks vrouw IDA herinnerde zich in 1899, dat zij rond twintig jaar daarvoor een gesprek met Nietzsche had gehad, in het verloop waarvan hem de woorden waren ontglipt, dat hij zich geestelijk verwant voelde aan Stirner.

* Er kwam nog een uitspraak bij van ADOLF BAUMGARTNER, die ten tijde van Nietzsches vroege tijd in Bazel diens lievelingsleerling was geweest, maar zich spoedig van hem had vervreemd. Baumgartner, inmiddels hoogleraar oude geschiedenis in Bazel, herinnerde zich in 1874 Stirners boek te hebben geleend uit de bibliotheek van de universiteit van Bazel en gaf aan dit te hebben gedaan op aanraden van Nietzsche. De uitlening kon aan de hand van het oude registerboek worden bevestigd.

* FRANZ OVERBECK, de begripvolste, betrouwbaarste en meest tot oordelen bekwame vriend van Nietzsche, kwam na een pijnlijk onderzoek van alle aspecten tot de slotsom: “Het lijdt geen twijfel, dat Nietzsche zich jegens Stirner eigenaardig heeft gedragen(…) Dat is heel zeker niet gebeurd om een of andere invloed op hem geheim te houden (die strikt bezien helemaal niet voorhanden is), maar omdat hij verkoos om in het algemeen voor zichzelf klaar te komen met de indruk die hij van Stirner heeft gekregen.(…) Ik beweer dienovereenkomstig, dat Nietzsche Stirner heeft gelezen. Dat mag voor tegenstanders van Nietzsches boeken zonder meer de conclusie staven, dat hij een plagiator is geweest. Wie hem zelf heeft gekend, zal hieraan slechts in de laatste plaats denken.

Uit: Nietzsches initiële crisis/ Het Nietzsche-Stirner-vraagstuk in een nieuw licht.
Bernd A. Laska /German Notes and Reviews, 2002


foto: verklaring Ida Overbeck over invloed Stirner op Nietzsche. Uit: Franz Overbeck und Friedrich Nietzsche/eine Freundschaft. Jena, 1908 (bibliotheek Marjolijn).

* Ludwig Klages

zie: Young Nietzsche
zie: Nietzsche/Stirner

Stifter

Nieuwe foto’s boven: NDZ Naumburg(Saale) 2018

Onlangs is de Friedrich Nietzsche Stiftung opgericht
die ijvert voor een nieuw
Nietzsche Documentationszentrum in Naumburg, Duitsland.
De grootste privéverzameling van de 20ste eeuw
op het gebied van Nietzsche-onderzoek,
de “Sammlung Richard F. Krummel”,
zal hier worden ondergebracht.
Ik ontving een brief met de vraag om donateur
en daarmee mede-oprichter/”Stifter” te worden,
ik gaf daaraan gehoor en bevind mij nu  zowaar
op een “Stifterliste” tussen de Nietzsche-deskundigen
(zie bovenste foto)

zie: www.friedrich-nietzsche-stiftung.de

Van: Nietzsche-Gesellschaft 
info@nietzsche-gesellschaft.de

Sehr geehrte Damen und Herren, liebe Nietzsche-Freunde,

Wir sehen die Stiftungsgründung mit großer Zuversicht
und Freude entgegen.
Zahlreiche Personen aus dem In- und Ausland
haben sich am Kapitalstock der Stiftung beteiligt.
Heute erhalten Sie zu Ihrer Information eine aktuelle Stifterliste.
Wir freuen uns über Ihre Mitwirkung.
Als neue Stifter begrüßen wir heute:

* Frau Marjolijn van den Assem aus Rotterdam.
Die Künstlerin beschäftigt sich

seit Jahren intensiv mit Friedrich Nietzsche.
Im Jahre 2007 erschien von ihr
das Kunstbuch “Seelenbriefe
(Oosterhout 2007 – TAB / timmer art books).
Es thematisiert das Verhältnis Friedrich Nietzsches
zu Marie Baumgartner an Hand ihres Briefwechsels.

* Herrn Dr. Enrico Müller aus Greifswald.
Er arbeitet an einem DFG-Forschungsprojekt
zum Thema: “Die philosophische Kunst des
platonischen Dialogs” an der Universität Greifswald.

* Herrn Nikolaos Loukidelis aus Athen
ist Doktorant an der Humboldt-Universität Berlin.
In seinen Arbeiten beschäftigt er sich
den mit Quellen des Nietzscheschen Philosophierens.

* Prof. Dr. Babette E. Babich ist Professorin
für Philosophie an der Fordham University in New York.
Sie ist Executive Director der USA Nietzsche-Society
(gegr. 1978) und Herausgeberin der New Nietzsche Studies.
Zur Zeit arbeitet Sie an einer neuen Übersetzung
von Nietzsches “Wille zur Macht”.

* Angela Holzer M.A. promoviert
am Department of German der Princeton-University (U.S.A.)

* Dr. Henry Kerger aus Dresden.
Seine Arbeiten beschäftigen sich
besonders mit rechtsphilosophischen Aspekten
von Nietzsches Philosophie und setzen sie
mit neuesten Forschungen der Neurobiologie
ins Verhältnis.

Enzovoort….

zie: Netzwerk Nietzsche

Atelierbezoek (4)

zie: oogst
zie: luchtgevecht
zie: tegenlicht
zie: binnen/buiten

Gisteren was hij er weer. Tom van As, mijn collega, raadgever, discussie-genoot, oude vriend en buitenschilder-compagnon, bezoekt regelmatig mijn atelier. Omdat  corresponderen soms ontoereikend is, is dit de enige mogelijkheid om onze hersenspinsels te toetsen aan de verbeelding daarvan. Meestal vindt hij dat ik ” iets bijzonders bij de taas” heb. Vaak beveelt hij een door mij al bij voorbaat verworpen techniek aan. Hij ziet verbanden die ik nog niet had gelegd. Hij lacht in zijn vuistje over mijn tekenkundige bokkesprongen. Handenwringend voorziet hij obstakels. Wij delen onze inzichten van het moment. Wij doen aan geestelijk stampvoeten tot de ontroering erop volgt. Hij daagt me uit om hem bij zijn volgende atelierbezoek versteld te doen staan.

zie: atelierbezoek(1)
zie: atelierbezoek(2)
zie: atelierbezoek(3)
zie: atelierbezoek(4)
zie: atelierbezoek(5)
zie: atelierbezoek(6)
zie: atelierbezoek(7)
zie: atelierbezoek(8)
zie: atelierbezoek(9)
zie: atelierbezoek(10)
zie: atelierbezoek(11)
zie: atelierbezoek(12)
zie: atelierbezoek(13)
zie: atelierbezoek(14)
zie: atelierbezoek(15)
zie: atelierbezoek(16)
zie: atelierbezoek(17)
zie: atelierbezoek(18)
zie: atelierbezoek(19)

Il faut méditerraniser(1)

Het twee-delige dorp Eze ligt tussen Nice
en Monaco in Zuid-Frankrijk.
Eze-village heeft zich bovenop een rots genesteld
en Eze-sur-mer ligt aan zee, 428 meter lager.
Friedrich Nietzsche logeerde destijds (1883/1884)
in de buurt van het station van Eze-sur-mer
en liep, woorden zoekend,
het gemzenpad naar boven,
naar Eze-village en terug.

Ik volgde “le sentier de Nietzsche”,
onder een paarsblauwe hemel
en schilderde in gedachten
de kleuren van de Méditerranée
met Nietzsches citaten.
***
“Zonder het Zuiden zou Nietzsche nooit
het wapen van de vrolijkheid hebben gevonden
als compaan van zijn wijsheid”.
“Il faut méditerraniser la philosophie…”

zegt Martine Prange in “Lof der Méditerranée”

***

Eze over Nietzsche:
Là, au millieu des oliviers, les lentisques*,
des euphorbes et des chênes verts, au millieu
de cette nature sauvage où les senteurs
marines s’effacent devant l’odeur de la terre,
avec la Méditerranée en fond…
écrit-il:
“Cette partie décisive qui porte le titre:
Des vieilles et des nouvelles Tables”
fut composée pendant une montée des plus pénibles
de la gare au merveilleux village maure Eza,
bâti au millieu des rochers”.

* Les lentisques: Mastiek ofwel mastix is de hars
van de mastiekstruik (Pistacoia Lentiscus).

Hij ziet er uit als een kleine boom,
met een korte hoofdstam.
De struik komt op verschillende plaatsen
langs de Middellandse Zee
voor op steenachtige hellingen.
Onder normale omstandigheden
verdampt het sap en droogt op.
Zo wint men mastiekhars:
in de bast van de hoofdstam worden inkepingen gemaakt.
Hieruit komen al vrij snel druppels
van een doorschijnend vocht.
Dit sap verhardt tot grote ovaalvormige “tranen”.
Deze worden geoogst en dienden vroeger
als grondstof voor allerlei produkten,
zoals plakmiddel, papierlak,
schilderijvernis, verf  en parfums .

zie: aalmoes

Stationnetje Eze-sur-mer, september 2008.

“The next winter, under the halcyon sky of Nizza, which then shone into my life for the first time, I found Zarathustra III—and was finished. Scarcely a year for the whole of it. Many concealed spots and heights in the landscape around Nizza are hallowed for me by unforgettable moments; that decisive passage which bears the title “On Old and New Tablets” was composed on the most onerous ascent from the station to the marvelous Moorish aerie, Eza,—the suppleness of my muscles has always been greatest when my creative energies were flowing most abundantly. The body is inspired: let us keep the “soul” out of it … Often one could have seen me dance; in those days I could walk in the mountains for seven or eight hours without a trace of weariness. I slept well, I laughed much—, my vigor and patience were perfect.”

Nietzsche over Eze (Ecce Homo)

zie: Ins Freie
zie: Inschepen!
zie: il faut méditerraniser(2)
zie: il faut méditerraniser(3)
zie: bewustzijn van schijn(8)

Abbild

Het vijfde wandvullende werk op mijn tocht
om de stemming waaruit “de taal van de dooiwind
voortkwam te peilen, is af.
De watervallen, staketsels en bosschages
houden elkaar in evenwicht, gaan een verbinding aan
en komen hier en daar los van de muur.
Met mijn wonderbaarlijk veel inkt opnemende,
gloed-nieuwe, uit Taiwan gekregen,
weasel hair“-kwasten raasde ik
vele afdwalingen verder en hervond de aanleiding.

Nu is er: Abbild(4) 138-delig 2008
o.i.inkt/nietjes op museumkarton 300 x 500 x 48 cm.

Genua wurde somit das Abbild
seiner philosophischen Stimmung,
das gilt aber für alle Orterlebnisse Nietzsches,
nur dass ihre Funktionjeweils eine andere war.
Uit: Nietzsche mit Goethe in Italien. Mazzino Montinari

 

zie: dooiwind


zie: Abbildbar

tegenlicht

Later in het seizoen wordt buiten alles zwart/witter.
Bij tegenlicht rest de essentie: de lijnen van het landschap.
Liever dan de uitbundige lente is me
de duidelijkheid van de naderende herfst.
In plaats van “brilliant yellow green” overheerst nu
het “vert doré” en de inktzwarte bosschages
bij slootvoren en aan de horizon.
De wolken, recht aan de onderkant,
glanzend-weelderig aan de bovenkant
en het ellebogenwerk van donkergrijs dat het wit verdringt,
zijn haast niet meer te vangen.
Het blijft vochtig in het gras,
het ruikt naar schimmel, buien barsten los.

zie: luchtgevecht
zie: snijden
zie: buitenschilderen
zie: stroomopwaarts (2)
zie: Abbildbar

foto onder: tegenlicht in de polder 2008
o.i.inkt/nietjes op museumkarton 30 x 33 x 15cm.
private collection ‘s-Gravenhage

Atelierbezoek (3)

Soms komt iemand als geroepen.
Coert Ebbinge Wubben, een éminence grise, geestrijk als geen ander,
bezocht voor de tweede keer mijn atelier.
Hij gaf mij Weltgeschichtliche Betrachtungen van Jacob Burckhardt,
Nietzsches leermeester.
“Als ik niet slaap, eet of mijn huishouden bestier, lees ik…”* zei hij.
Mochten er Olympische Spelen voor de geest bestaan dan zou hij een goede kans maken om ons land aan goud te helpen, dacht ik nog voordat ik mijn atelierdeur opendeed.
Geconfronteerd met mijn dooiwind-tekeningen, hoorde ik hem schrikken, slikken en geraakt worden.
Woordenloos zaten we samen en keken, ondergingen.
Als het goed is leen je als maker de ogen van de kijker,
saamhoriger seconden ken ik niet.
Hij bracht mij met mijn werk in het reine.
Met mijn twee-delige Nietzsche biografie van Curt Paul Janz onder de arm vertrok hij weer…

* “Wij zijn allen, wat wij hebben gelezen”
(Joseph von Eichendorff)
Wat zal ik hem missen: Coert Ebbinge Wubben

zie: atelierbezoek(1)
zie: atelierbezoek(2)
zie: atelierbezoek(3)
zie: atelierbezoek(4)
zie: atelierbezoek(5)
zie: atelierbezoek(6)
zie: atelierbezoek(7)
zie: atelierbezoek(8)
zie: atelierbezoek(9)
zie: atelierbezoek(10)
zie: atelierbezoek(11)
zie: atelierbezoek(12)
zie: atelierbezoek(13)
zie: atelierbezoek(14)
zie: atelierbezoek(15)
zie: atelierbezoek(16)
zie: atelierbezoek(17)
zie: atelierbezoek(18)
zie: atelierbezoek(19)

gereedschap


Mijn favoriete Chinese kwasten: zie boven (én een twintig jaar oud bamboestokje-met-versleten-haren)
Favoriete inkt: Windsor & Newton Black Indian Ink (Windsor & Newton’s black indian ink is made from a lightfast pigment dissolved in a superior shellac solution).
Favoriete potloden: KOH-I-NOR Hardtmuth 1500, 4H tot 8B


Uit: Chinese Landscape Painting for Beginners, Li Dongxu.

In het National Art Museum in Hong Kong kocht ik bij de educatieve, maar adembenemende calligrafie-tentoonstelling het boek Chinese Landscape Painting for Beginners. Op de tentoonstelling kon men aan de hand van een instructiefilmpje en aan een bureau met penselen en water, op een plastic vlak oefenen in “the art of writing”. Na diverse Chinese bezoekers aan het werk te hebben gezien zonk de moed me in de schoenen. Het was zoiets als dansen met negers. In het boekje voor beginners doet men het voorkomen alsof je met het juiste gereedschap in tien stappen virtuoze watervallen schildert…na veertig jaar ervaring met de Chinese penseel weet ik beter..

zie: zomerse winterwaterval
zie: dooiwind

Young Nietzsche

 

Young Nietzsche: becoming a genius.
Carl Pletsch. The Free Press.(1991):

* Little Friedrich’s relationship to his grandfather
during these summer vacations in Pobles consisted
of long walks on which they conversed on adult topics.

* The unique thing about Schulpforta is that
it is a self-contained schoolstate in which the life
of the individual is wholly absorbed.

* But he chose to write a German theme on Hölderlin
in the form of a letter to a friend, recommending
this author to the recipient- a rhetorical strategy
that indicated his confidence in his judgement,
and brought the reader (his teacher) to the level
of an ill-informed contemporary. Furthermore,
he praised and defended precisely those characteristics
of Hölderlin’s writing that offended the German literary
establishment; for example, psychological alienation,
and disdain for the crabbed philistinism
of the educated German middle class.
Of course Friedrich’s enthusiasm was due in part
to his having found in Hölderlin a kindred spirit.

* It was a strangely calm feeling of disillusionment
coupled with a renewed desire to become his best self.
Reading Schopenhauer provoked a searching self-examination;
Nietzsche suddenly felt a tremendous hunger for self-knowledge.

* Nietzsche was soon to experience the force of
Richard Wagner’s very personal will in his own life.
But he recognized Schopenhauer’s view as a
serious attempt to solve a basic problem of life.
It spoke directly to the concerns of Nietzsche’s
extended adolescence, for he was still struggling
with his own ambition, distrustful of socially accepted
career goals, and wary of devoting himself
completely to philology.
Schopenhauer suggested to Nietzsche that it was
possible to face the paradoxes and compromises
of existence squarely, come to terms with them, a
nd even respond creatively to them.

* Schopenhauer’s theory of the genius
is one of the most important sources of Friedrich Nietzsche’s
thinking about himself as a creative person
and about the genius in general.
Friedrich had known about genius when he wrote
his autobiography at age fourteen,
casting himself in the role of Goethe,
and he assimilated more in the ensuing years.
But Schopenhauer was the first person
whom he identified as his educator in genius.

When he met Richard Wagner in November 1868,
Nietzsche would write to one of his friends
that Wagner was the very incarnation of
what Schopenhauer had written on the genius.

* Nietzsche strained eagerly to please Wagner for years,
from 1869 until the decline of their friendship in 1876.
Wagner needed surrogate sons like Nietzsche
to help him realize his grandiose aesthetic ambitions;
but Nietzsche needed a father
to help him organize his creative energies.

* Wagner was the first to assert Nietzsche’s originality,
suggesting that Nietzsche too was a genius.

* Nietzsche had quietly redefined the genius
is this essay (Schopenhauer as Educator);
Schopenhauer was a genius by virtue of his will, not his birth.
He is an absolutely unique and separate individual;
he contains within himself the possibility of revolutionizing
the way we all see the world; he is precocious,
coming to his original vision at an early age;
he is not a scholar and does not achieve his insight through
academic study; he prepares himself in part through
the stimulation of another genius (Goethe);
he is largely unrecognized by his contemporaries.
But Nietzsche goes beyond these “naive” clichés
about the genius being “born, not made”
to show that Schopenhauer voluntarily created
himself as a genius.

* The genius, redeemed from himself and his contemporaries
by the example of the genius preceding him, justifies his generation.
The genius creates the mental world in which
the next generation will live, including that generation’s genius.

* Nietzsche, in fact was better suited to the motherly attentions
of older women than he was to romance,
and he did establish two friendships with older women
in the mid 1870’s.
Marie Baumgartner, the mother of one of his students*,
and the vaguely Wagnerian cosmopolite Malwida von Meysenbug,
were both motherly confidants to him.

* Awakening from the hypnotic sleep of his Wagnerian discipleship,
Nietzsche had a startling awareness of having neglected his own mission –
“my task”…
” Perhaps no one was more dangerously attached to
– grown together with – Wagnerizing.
Nobody tried harder to resist it.
Nobody was happier to be rid of it”.

* All of Nietzsche’s later books are the work of a truly
” solitary walker”, a Rousseau-like genius so alienated,
or perhaps so far in advance of his contemporaries,
that his writings actually seems to be nothing so much as
an extending conversation with his own shadow –
the only companion who could keep pace with him.

* But because, from the moment he broke with Wagner,
Nietzsche worked in obsessive isolation
on a project that virtually no one appreciated,
he was ultimately recognized as an unrecognized genius.
Somewhat paradoxically, then, initial lack of recognition
had become one of the traits that made
a genius recognizable to the public.

* His psychological need for a father-surrogate
went so far beyond the usual requirement of a model of genius
that his discipleship to Schopenhauer and particularly
to Wagner lasted for years.
In all that time he naively refused to acknowledge
his own ambition to reach the status of genius himself,
and deferred almost endlessly to his mentors.
They became the focus of his agonized writing in
“The Birth of Tragedy” and “The Untimely Meditations”,
and mentoring remained a theme of his later works,
most especially “Thus Spoke Zarathustra”.

This all makes becoming a genius
much more transparant in Nietzsche’s life
than it is in other instances.
His example reveals a general
but usually obscure phenomenon.

Uit:
Young Nietzsche: becoming a genius/Carl Pletsch.
The Free Press. NY 1991

zie: Stifter
zie: Nietzsche-Dokumentationszentrum
zie: nog steeds…
zie: Genova on my mind…
zie: Ur-Ur-Grossmutter Marie B.
zie:* Marie Baumgartner