Marjolijn van den Assem

Tekeningen en Schilderijen

Florette Dijkstra

Marjolijn Uncategorized

Schermafbeelding 2015-01-02 om 19.45.13
In kunstwordtterugkunst, schrift voor nieuwe kunst,
trof ik een juweeltje aan van Florette Dijkstra, natúúrlijk:

Geheugenverlies

Er zijn vragen die je je kunt blijven stellen om enigszins koers te houden in het leven en binding te blijven voelen. Soms word ik overvallen door de angst de binding kwijt te raken en plotseling een andere stem, andere loop, andere blik en andere geur te krijgen. Dan wordt het blindelings tasten naar pijlers, bakens en ijkpunten.
Een tijd geleden kocht ik ‘Brevier van Esthetica’ (1913) van de Italiaanse filosoof en historicus Benedetto Croce. Van dit exemplaar waren de katernen nog niet gesneden. Bijna honderd jaar had het bestaan zonder te zijn gelezen. Wat zou het onthullen? Het opensnijden was een ritueel, een fysieke handeling waarmee het maakproces van het ding werd voltooid. Daarna kon ik de tekst openen en lezen in wat nog nooit door iemand was gelezen.
In het brevier volgt Croce de opvatting dat de werkelijkheid historisch is bepaald en, op de stroom van de tijd, voortdurend in verandering is. De motor van die verandering is de mens met zijn scheppende dadendrang. Dat is een kracht waaruit ook de kunst voortkomt, die volgens Croce niets heeft te maken met de individuele wil van een kunstenaar of de moraal van een tijdperk, maar zich altijd richt op een ‘verte’. Om die te naderen, moet je volgens hem beschikken over ‘pure visie’, ofwel ‘intuïtie’. Een kunstenaar opent een ‘luchtgat’ om bij de verte te geraken en vanuit dat perspectief zijn werk te maken. Zodra het beeld er is, werkt het als een intermediair: anderen kunnen via het beeld de geopende ruimte betreden en voeling krijgen met de verte. Het is als contact leggen met het collectieve geheugen of de collectieve verbeelding, die er altijd was en is in de kunst.
Een gemaakt beeld, zegt Croce, is niet alleen een uniek beeld, maar ook de creativiteit, het vermogen om naar het begin te gaan en iets nieuws te willen maken. Het je richten op de verte is ook een je richten op het ‘beginnen’. Tegelijk weet je dat het nieuwe maken in verbinding staat met iets wat er al was. Een kunstenaar wil het weer tot leven brengen, contact leggen. Zodra hij méér doet dan dat, schuiven volgens Croce de overdenkingen en oordelen er tussen en vervliegt en sterft de eigenlijke kunst. Kunstenaar en toeschouwer gaan spontaan over in kunstcritici.
Kunnen critici dan nog iets wezenlijks zeggen over kunst? Volgens Croce kan dat alleen als ze de oneindige veelheid aan afzonderlijke visies en intuïties proberen te verzamelen en omschrijven, om zo de ontelbare losse kunstwerken te kunnen groeperen. Maar de ‘oorspronkelijke, niet te vertolken en te classificeren intuïties’ zullen even hard weer ontsnappen. Croce denkt dat er maar één middel is om de rondedans te regelen, en dat is te accepteren dat in de geschiedenis elk kunstwerk de plaats inneemt die het toekomt en geen andere. Pas dan kun je (ook weer door een ‘luchtgat’) zien dat het collectieve geheugen van de mens zich verbindt met het telkens ‘opnieuw beginnen’ van visies en beelden die dwars door de verschillende historische media heen migreren naar steeds weer nieuwe beelden.
Croce’s opvatting is een hardcore kunsttheorie, maar toch lijkt er beweging in te zitten
en krijg je het idee dat zijn visie vervolg heeft gekregen. Tachtig jaar later spreekt Luciano Fabro in ‘Na de regen gaat een bloem open’ (1994) over het geheugenverlies van zijn tijd. Hij ziet een gebrek aan filosofische visie op kunst en geschiedenis, met als gevolg een gebrek aan discours bij jonge kunstenaars. Kunst gaat volgens hem niet alleen over het bedenken en maken van het ene na het andere losse ding, maar vooral ook over de bijdrage van elk kunstwerk aan het grote geheel, aan de collectieve verbeelding. Kunst maken gaat niet over het individuele maken, maar over een natuurlijk probleem van creatie.
Een kunstenaar, zegt hij, refereert altijd aan wat herschapen is. Alles wat door de eeuwen niet herschapen is, bestaat niet meer. Om eraan te kunnen refereren, is het noodzakelijk terug te keren naar de kunst zelf en alles weer opnieuw te beginnen: ‘het is op dat niets, dat puntje stof, dat men misschien de natuur kan herbeginnen’.
Bedoelt hij dat we het verleden in moeten duiken om te zoeken naar het punt waarop de mens het eerste kunstwerk maakte, en zelfs nog naar daarvóór, of gaat het vooral om het steeds weer hervinden van het ‘beginnen’ vanuit openheid en oordeelloosheid?
Misschien verschilt het niet veel. De Arte Povera kunstenaars probeerden te werken vanuit ‘dat puntje stof’, door elementaire materialen in te zetten en bijvoorbeeld het breukvlak van een steen te laten zien, alsof we ooit een ‘onschuldig oog’ hadden dat daar puur naar kon kijken. Het streven naar die onmogelijke puurheid, tegen de verdrukking in, lijkt een romantisch idee, maar is iets wat kunstenaars almaar blijven doen.
Fabro suggereert niet dat het gedaan is met kunst, of dat de kunst vooruitgeholpen moet worden. Wat volgens hem wel belangrijk is, is dat we de kunst ‘behoeden’. Want zodra we vergeten dat kunst substantieel is in de mens, vergeten we een wezenlijke menselijke sensatie. Fabro maakt onderscheid tussen degenen die de kunst tot de oppervlakte willen reduceren en anderen, die de innerlijkheid bewaken en behoeden. De innerlijkheid van de kunst valt samen met die van de menselijke gemeenschap, ‘want hoe meer je naar de diepte gaat, hoe meer we naar elkaar toe kunnen gaan’. Als je door de oppervlakte wilt gaan om die innerlijkheid te bereiken, moet je een opening maken en een zekere interactie met het oppervlak bewerkstelligen, om er vervolgens voor te waken dat het gat niet ook weer oppervlakte wordt. De kunst willen behoeden betekent dus ook belang stellen in het collectieve geheugen van de mens, want ‘wanneer men dat geheugen niet verdedigt, dat geheugen niet ontwikkelt – dan is men er aan, privé of als maatschappij’.

Is twintig jaar later nog te onderscheiden wat oppervlakte en wat diepte is in de kunst? De kunstwereld is diffuus geworden, we leven in een postdisciplinair tijdperk, kunstenaars transformeren in filosofen, filosofen denken vanuit kunst, kunstcritici maken tentoonstellingen en curatoren creëren kunstwerken. Maar dat zegt nog niets over dieptewerk of oppervlakkig roeren. Er is een tendens te zien van kunstenaars en curatoren die kameleontisch van rol verwisselen en volgens mij zoeken naar het ‘beginnen’. Ik denk aan curator Carolyn Christov-Bakargiev die de omvang en oppervlakte van de Documenta XIII (2012) wist uit te strekken over de aardbol. Ze vroeg kunstenaars gaten te maken, naar elementen te zoeken, de verte te naderen. Er ontstond een chemie tussen makers, curatoren, schrijvers, bezoekers, aardbol en geheugen. Het was een Documenta die door een criticus werd afgedaan als een tentoonstelling die geen diepe sporen zou nalaten. Maar de tentoonstelling was dapper, het resultaat was niet vooraf bepaald maar werd de uitkomst van een proces dat te groot en veelomvattend was om in één mensenleven te beleven. Je kreeg tenminste de kans de overbrugging te maken en in contact te komen met bakens en ijkpunten. Is dat kunst als het reële, wereldgeheugen voedende, herscheppende, hoedende?
Ik denk ook aan de tentoonstelling ‘The Temptation of AA Bronson’, afgelopen winter in Witte de With, Rotterdam. Bronson (een van de oprichters van FILE Magazine, zie het omslag van dit nummer) was curator van de tentoonstelling en een van de deelnemers. Hij toonde de visie van kunstenaars, schrijvers en critici van verschillende generaties op de fundamenten van kunst en menszijn. Hij liet de bronnen direct zien, onbewerkt, beestachtig, echt, als oerkrachten. De tentoonstelling gaf vele ‘zichten’ op dood, kennis, seks, magie en leven, en daarmee op de krachten die de kunst in gang zetten. Kunst werd de ruimte voor het hervinden van de intuïtie van het maken. Daarbuiten is genoeg plaats voor afstand, reactie, kritiek. Defne Ayas, directeur van Witte de With, noemde de tentoonstelling ‘een complex tegengif voor de melancholie die heerst in geseculariseerde kunstinstellingen’ en de vereniging van kunstcritici AICA kende de tentoonstelling de ‘Oorkonde 2014’ toe.
Het gaat in de kunst weer over mensen, over de behoefte contact te leggen en te verbinden.

Florette Dijkstra
in: KUNSTWORDTTERUGKUNST 7, 2014

zie: Florette Dijkstra
Kopen of abonneren: kunstwordtterugkunst

zie: kunstwordtterugkunst(1)
zie: kunstwordtterugkunst(2)
zie: a present from a friend(8)
zie: Baldadig teder …

1 comment

[…] zie: “Art is difficult, it’s not entertainment.” zie: Geheugenverlies (Florette Dijkstra) […]

Posted by Marjolijn van den Assem » Valkhof in Nood!, on January 5th, 2015, às 2:03 pm. #.

Leave a comment!



Message



Marjolijn van den Assem © 2007 - 2013.

Simple Grey theme developed by Rodrigo P. Ghedin.

WordPressFAMFAMFAM
Clicky Web Analytics